DE LESSEN

Wat weet je nu dat je had willen weten aan het begin van jullie traject? Wat zijn de belangrijkste inzichten die jullie opdeden? Hoe kwam je tot deze inzichten?

Hilde: Er zijn een aantal nieuwe partners bijgekomen in de loop van het project. Als we het opnieuw zouden doen, zou ik die partners vanaf de start meer betrekken, in onze klankbordgroep bijvoorbeeld, of in een nauwere samenwerking. We hebben wel een hele nauwe samenwerking gehad met de transitieprojecten van GTB. GTB is een autonome vzw die voor VDAB werkt om mensen met een arbeidshandicap aan het werk te krijgen. Het is een begeleidingsdienst die partners zoekt die jongeren op hun traject kunnen begeleiden. Voor zeven van de negen leerlingen is het ook een echt transitietraject geworden. We hebben het GTB-pakket echt geïntroduceerd in de scholen zodat ze er meer gebruik van kunnen maken. Maar er zijn nog zoveel andere (mogelijke) partners, bijvoorbeeld Arktos of Jongerenatelier. Er wordt al zeer veel gedaan voor jongeren, maar scholen weten dat niet altijd. Als we die organisaties vanaf de start meer betrokken hadden, denk ik dat we nog krachtiger hadden kunnen zijn.

Hebben jullie nog tips hoe je misschien sneller die contacten zou kunnen leggen met potentiële partners?

Jeroen: Het probleem is dat er telkens zoveel nieuwe projecten en projectjes zijn. Vaak lopen die maar een jaar, of in het beste geval twee of drie jaar. Maar daarna stopt het weer en start er iets anders. Op den duur weet niemand nog goed wat er nu allemaal op de markt is. Er zit te weinig duurzaamheid in die projecten en in het aanbod van die projecten. Er worden voortdurend nieuwe bomen geplant maar door die bomen zie je dan het bos niet meer. De dingen veranderen te snel en mensen haken daar op af.

Jeroen: We botsten ook op het feit dat we de CLB’s heel moeilijk aan onze tafel kregen. Misschien heeft dit te maken met de coronaperiode want zij kregen plots heel veel op hun bord. Maar zij spelen wel een cruciale rol in het begeleiden en ondersteunen van kwetsbare jongeren. Het was heel moeilijk om hen mee te krijgen in ons verhaal. Ik weet ook niet goed hoe we dat anders hadden kunnen aanpakken want wij hebben heel vaak de hand uitgestoken, zonder veel succes.

Hilde: Misschien hadden zij het gevoel dat we te veel op hun terrein kwamen? Ook in de scholen kwam dit als een heel belangrijke drempel naar voren. Daarom hebben we ook een sessie besteed aan de samenwerking met het CLB. De verschillende koepels hebben bijvoorbeeld een andere manier van werken. En het systeem wordt door scholen en leerkrachten soms als log ervaren. Covid heeft dit nog versterkt. Alles moest plots op papier gebeuren. En dan kun je niets opbouwen met een leerling. Ik heb wel CLB-medewerkers ontmoet via de trajecten van de proeftuin en op die manier heb ik geprobeerd om de communicatie af te stemmen. Als je met jongeren werkt, moet je heel ruimdenkend zijn en meegaan met de golven van de dag. En dat bleek niet zo gemakkelijk.

Jeroen: Toch vind ik nog altijd dat zij een belangrijke rol zouden moeten kunnen spelen. De rol van het CLB stopt nu als een leerling afgestudeerd is of de school verlaat. Wij zijn een brugfiguur die ook na de onderwijsloopbaan de hand een beetje blijven vasthouden. Wij houden ook daarna nog een vinger aan de pols. Dat zou ook bij CLB’s mogelijk moeten zijn.

 

Jullie richten je op een specifieke kwetsbare doelgroep die veel aandacht nodig heeft. Tegelijk zitten daar ook veel lessen in voor het algemene verhaal over Leven, Leren en Werken. Bijvoorbeeld als het gaat over gepersonaliseerde leerwegen en inclusie. Hoe maken we in de toekomst die verbinding tussen onderwijs en werk beter? Wat kunnen we leren  van jullie project voor het algemene verhaal?

 Jeroen: Ik denk vooral het krachtgericht werken. Al onze starters, maar ook andere mensen hebben het sowieso wat moeilijker in onze maatschappij. Maar er bestaan  evidence based methodieken om met die mensen aan de slag te gaan. Alhoewel ze heel vanzelfsprekend lijken, zijn ze niet gekend bij bedrijven of bij scholen, zelfs niet bij instellingen voor buitengewoon onderwijs. Die methodieken bekend maken en leren gebruiken zou al een transitie op zich kunnen zijn. Er is al enorm veel gezegd en geschreven over de introductie van nieuwe werknemers en hoe dat op een zorgvuldige manier te doen. Maar nog altijd wordt daar te weinig tijd voor uitgetrokken. 

Hilde: Voor mij is communicatie heel belangrijk. Ik had echt het gevoel dat iedere school en ook de arbeidsmarkt op zich aparte eilandjes zijn die onvoldoende van elkaar weten. Stagebegeleiders staan tussen die twee werelden, maar zij krijgen hun collega’s niet genoeg mee om voldoende uitleg te kunnen geven over hoe je een leerling nu klaargestoomd krijgt. De interviews in het eerste jaar maakten dat heel erg duidelijk. Maar ook in het werkveld met de leerlingen voel je het wij-en-zij-verhaal heel sterk. En dat is heel jammer, want eigenlijk moet dat samenkomen. Het gaat ‘m over die brug maken. Bij veel leerlingen is die er gewoon niet. Veel leerkrachten voelen dan dat ze falen. Ze zien hun leerlingen op 30 juni uitstromen maar ze weten dat ze eigenlijk nog niet ver genoeg staan. Ze weten dat ze niet voorbereid zijn op de arbeidsmarkt en dat de kans op falen groot zal zijn. Dus communicatie tussen die twee werelden is cruciaal. Maar het gaat ‘m niet alleen over onderwijs en werk. Ook communicatie met ‘zorg’ als partner is belangrijk. Zorg speelt immers een heel belangrijke rol. Ik stond er echt verbaasd over dat er zo goed als geen communicatie is. Het CLB is daar een heel belangrijke partner in. Maar er is meer. Daarom hebben wij een sessie georganiseerd waar we de sociale kaart van onze regio hebben voorgesteld en waar er heel veel antennepunten zijn waar advies kan ingewonnen worden als je met een leerling vastzit. Er zijn ook heel veel diensten waar er geen doorverwijzing voor nodig is. Leerlingen kunnen daar vrij gemakkelijk naar verwezen worden. Het moet niet allemaal via het CLB lopen. Natuurlijk wel voor belangrijke aspecten zoals een aanmelding voor een wachtlijst voor een opname enzovoort. Maar bijvoorbeeld op de chat-functie van Awel kan iedereen zonder meer terecht. Maar er zijn zoveel andere diensten waar leerkrachten totaal geen kennis van hebben. Sommige leerlingen hebben een autisme-coach maar die heeft nooit contact met een leerlingenbegeleider van de school. Als die communicatie er niet is, hoe kun je dan problemen fatsoenlijk opnemen? Want uiteindelijk gaat het toch over de groei van die leerlingen?

De steun van de Europese Commissie voor de productie van deze website houdt geen goedkeuring van de inhoud in. De inhoud geeft de standpunten van de auteurs weer en de Commissie kan niet aansprakelijk worden gesteld voor het gebruik dat eventueel wordt gemaakt van de daarin opgenomen informatie.

logo onderwijs en vorming
logo ESF